ECLI:NL:CRVB:2009:BI6865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens overschrijding redelijke termijn en toekenning immateriële schadevergoeding
Appellant was sinds 1979 werkzaam als statistisch medewerker en viel in 1999 uit wegens vermoeidheidsklachten en spanningen. Vanaf 1 november 2001 ontving hij een WAO-uitkering. Op 23 december 2002 werd deze uitkering ingetrokken omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk inclusief een vraagbaakfunctie.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit op bezwaar van het UWV ongegrond, maar de Raad vernietigde deze uitspraak in 2006 vanwege onzorgvuldigheden in het medisch onderzoek. Na een nieuw onderzoek door bezwaarverzekeringsarts De Brouwer in 2006 handhaafde het UWV het besluit. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek niet onzorgvuldig was en dat appellant geschikt was voor zijn werk, zonder aanleiding voor immateriële schadevergoeding.
In hoger beroep stelde appellant dat een volledig nieuw onderzoek had moeten plaatsvinden en dat hij niet in staat was zijn werk volledig te verrichten. De Raad oordeelde dat het eigen werk inclusief de vraagbaakfunctie als maatstaf geldt en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De Raad stelde vast dat de redelijke termijn voor de procedure met ruim twee jaar was overschreden, geheel toe te rekenen aan het UWV. Daarom kende de Raad appellant een immateriële schadevergoeding toe van €2.500,- en veroordeelde het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en appellant krijgt een immateriële schadevergoeding van €2.500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.