ECLI:NL:CRVB:2009:BI3180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- T. van Peijpe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid na eigen ontslagname binnen HR-organisatie
Appellant was sinds 1981 werkzaam binnen de HR-organisatie van zijn werkgever en nam op eigen verzoek ontslag per 13 juni 2007. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat geen sprake was van medische noodzaak of andere uitzonderingen die ontslag rechtvaardigen zonder verwijt.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij emotioneel de situatie niet meer aankon en geen ziekmelding kon maken, waardoor zijn ontslag niet volledig verwijtbaar zou zijn. De Raad overwoog dat hoewel appellant begrijpelijke bezwaren had en pogingen deed om de situatie te verbeteren, zoals gesprekken met bedrijfsarts, sollicitaties en een sabbatical, van hem verwacht mocht worden dat hij een andere oplossing koos dan ontslag, bijvoorbeeld ziekmelding.
De Raad concludeerde dat de verwijtbaarheid van de werkloosheid niet in overwegende mate aan appellant kan worden onttrokken. Daarom bevestigde de Raad het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees de Raad een verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is en wijst het beroep af.