ECLI:NL:CRVB:2009:BI3135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na verhuizing en huwelijk
Appellante was sinds 2001 werkzaam bij haar werkgever en woonde in Zwolle. In januari 2006 kocht zij samen met haar aanstaande echtgenoot een huis in een andere woonplaats. Zij zegde haar dienstverband op per 31 juli 2006 vanwege haar voorgenomen huwelijk en verhuizing. Op 24 juli 2006 verhuisde zij en ging samenwonen met haar echtgenoot. Zij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat de verhuizing niet als onvermijdelijk werd beschouwd en zij haar dienstverband had kunnen voortzetten.
De rechtbank onderschreef dit standpunt, waarna appellante hoger beroep instelde. Zij stelde dat er ten onrechte onderscheid werd gemaakt tussen situaties waarin men verhuist om samen te wonen en situaties waarin men verhuist vanwege de werkplek van de partner. Volgens haar was het huwelijk en de verhuizing een reëel en aanwijsbaar belang.
De Raad oordeelde dat het huwelijk en de verhuizing niet meebrengen dat van appellante redelijkerwijs niet kon worden gevergd haar dienstverband voort te zetten, ook al was de woonplaats ver verwijderd. Het UWV had geen ongeoorloofde ongelijkheid gecreëerd ten opzichte van anderen die al samenwoonden met hun partner. De stelling van discriminatie werd niet onderbouwd. De Raad bevestigde daarom de weigering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na verhuizing en huwelijk.