ECLI:NL:CRVB:2009:BI3120

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4933 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 10 Inkomensbesluit WAZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering WAZ-uitkering op basis van maatmaninkomen bij ondernemersverlies

Appellant, vennoot in een postorderbedrijf, viel in mei 2004 uit wegens hartklachten. Het bedrijf leed in de jaren 2001 tot en met 2003 verlies. Het UWV weigerde een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat het maatmaninkomen werd berekend op basis van de gemiddelde fiscale netto winst over de drie jaren voorafgaand aan de ziekmelding.

Appellant stelde dat het maatmaninkomen over een langere periode berekend moest worden vanwege bijzondere omstandigheden zoals het wegvallen van klanten en concurrentie. Tevens beriep hij zich op het vertrouwensbeginsel, omdat het UWV jaarrekeningen over vijf jaren opvroeg en een voorlichtingsbrochure verspreidde die mogelijk verkeerde verwachtingen schepten.

De Raad oordeelde dat de omstandigheden tot het gewone ondernemersrisico behoren en dat de vaste regel van berekening over drie jaar niet mag worden verlaten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat uit de correspondentie bleek dat appellant tijdig werd geïnformeerd over een fout in de berekening en geen gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend aan de brochure of het opvragen van jaarrekeningen.

De Raad bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Een kostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.

Uitspraak

07/4933 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 juli 2007, 06/8269 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant stelde mr. B. Kochheim-Bossink, advocaat te Aerdenhout, hoger beroep in.
Het Uwv diende een verweerschrift in.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 20 maart 2009. Appellant liet zich bijstaan door mr. Kochheim-Bossink. Het Uwv verscheen bij gemachtigde F.M.J. Eijmeel.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidende beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) door het Uwv genomen besluit van 11 september 2006. Bij dat besluit handhaaft het Uwv zijn weigering van 2 juni 2006 om appellant een WAZ-uitkering toe te kennen.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. De Raad gaat in zijn beoordeling uit van de volgende feiten.
3.1. Appellant viel op 3 mei 2004 door hartklachten uit als vennoot in het postorderbedrijf [naam postorderbedrijf]. In de jaren 2001 tot en met 2003 heeft [naam postorderbedrijf] steeds verlies geleden.
3.2. Met een brief van 20 april 2006 informeerde de arbeidsdeskundige appellant over het resultaat van zijn onderzoek. De mate van arbeidsongeschiktheid becijferde de arbeidsdeskundige op 55-65%, waarbij hij uitging van een maatmaninkomen van € 7,28 per uur. Ter toelichting vermeldde de arbeidsdeskundige dat hij dit maatmaninkomen baseerde op de fiscale netto winst “over de drie jaar voor de eerste ziektedag”.
3.3. Met zijn brief van 30 mei 2006 berichtte de arbeidsdeskundige aan appellant, kort gezegd, dat hij het maatmaninkomen eerder onjuist berekende, doordat hij daarbij het verlies over 2001 voor een winst had aangezien.
4. Appellant voert ook in hoger beroep aan dat zijn maatmaninkomen over de jaren 1999 tot en met 2003 moet worden berekend, omdat het verlies over de jaren 2001 tot en met 2003 het gevolg was van het wegvallen van enkele grote klanten en heftige concurrentie door Chinese bedrijven. Daarnaast beroept hij zich op het bij hem, door de brief van 20 april 2006, gewekte vertrouwen dat hem een WAZ-uitkering toekomt. De gewekte verwachtingen werden versterkt doordat het Uwv de jaarrekeningen over de laatste vijf jaren opvroeg en hij een door het Uwv uitgegeven voorlichtingsbrochure los met de tekst:
"Ook als u verlies maakte, was u verzekerd. U hoefde dan geen premie te betalen, maar een uitkering kunt u alleen krijgen als u in de vijf jaren voordat u arbeidsongeschikt werd wel winst heeft gemaakt."
Tenslotte beroept appellant zich op de hardheidsclausule van artikel 10 van Pro het Inkomensbesluit WAZ en de “rechtvaardigheid” voor zijn stelling dat het Uwv bij de berekening van het maatmaninkomen in elk geval moet uitgaan van het wettelijk minimumloon.
5.1. De Raad kan zich volledig vinden in de aangevallen uitspraak.
5.2. De door appellant geschetste omstandigheden behoren tot het gewone ondernemersrisico en vormen geen bijzondere omstandigheid om af te wijken van de in de rechtspraak ontwikkelde regel dat het maatmaninkomen van een zelfstandige berekend wordt op basis van de gemiddelde winst over de laatste drie volledige boekjaren voor de ziekmelding.
5.3. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De brief van 20 april 2006 maakt duidelijk dat de berekening op drie boekjaren is gebaseerd en bij kritische lezing is aanstonds duidelijk dat de arbeidsdeskundige een fout in de berekening heeft gemaakt. Dit is appellant kort na deze brief ook schriftelijk bericht. De voorlichtingsbrochure bevat algemene informatie. De tekst had zeker preciezer en duidelijker kunnen zijn. Appellant kon echter aan de brief van 20 april 2006, de voorlichtingsbrochure en het opvragen van de jaarrekeningen over de laatste vijf jaren niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hem een WAZ-uitkering toekomt.
5.4. De rechtbank overweegt terecht dat artikel 10 van Pro het Inkomensbesluit WAZ niet ziet op de berekening van het maatmaninkomen.
5.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal de Raad bevestigen.
5.6. Voor een kostenveroordeling ziet de Raad onvoldoende aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A.C. Palmboom.
JL