ECLI:NL:CRVB:2009:BI2261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WW-uitkering wegens WAO-voorschot niet gelijk aan WAO-uitkering
Appellant ontving vanaf 5 januari 2004 een WW-uitkering en later een WAO-uitkering van 15-25%. Na een ziekmelding werd de WW-uitkering beëindigd en een Ziektewet-uitkering toegekend. Vanaf 21 september 2006 kreeg appellant een voorschot op een WAO-uitkering van 80-100% en werd de WW-uitkering voortgezet. Het UWV trok later de WW-uitkering met terugwerkende kracht in, omdat appellant volgens hen geen recht had op WW vanwege het WAO-voorschot.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad oordeelt dat een WAO-voorschot niet gelijkgesteld kan worden aan een definitieve WAO-uitkering zoals bedoeld in artikel 19 WW Pro. Het voorschot wordt toegekend zolang onzekerheid bestaat over de WAO-rechten. Daarom was de intrekking van de WW-uitkering onterecht.
De Raad vernietigt het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De uitspraak werd gedaan op 8 april 2009 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot intrekking van de WW-uitkering en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen.