ECLI:NL:CRVB:2009:BI1494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid per 1 juni 2007
Appellante was sinds augustus 2003 werkzaam als beheerder en meldde zich ziek per oktober 2006. Haar dienstverband werd beëindigd per 1 juni 2007 na een vaststellingsovereenkomst. Zij vroeg een WW-uitkering aan, welke door het UWV werd geweigerd omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid vanwege ziekte en een benadelingshandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. Volgens vaste jurisprudentie moet een werknemer ondubbelzinnig beschikbaar zijn voor arbeid om recht te hebben op WW. Appellante had door haar houding en gedrag duidelijk gemaakt dat zij niet beschikbaar was per 1 juni 2007.
Pas vanaf 22 oktober 2007 was zij beschikbaar en kreeg zij alsnog een WW-uitkering toegekend. De Raad oordeelt dat appellante niet voldeed aan de WW-vereisten per 1 juni 2007 en dat het UWV het recht op uitkering terecht heeft ontzegd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering per 1 juni 2007 wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid.