AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid per 1 juni 2007
Appellante was sinds augustus 2003 werkzaam als beheerder en meldde zich ziek per oktober 2006. Haar dienstverband werd beëindigd per 1 juni 2007 na een vaststellingsovereenkomst. Zij vroeg een WW-uitkering aan, welke door het UWV werd geweigerd omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid vanwege ziekte en een benadelingshandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. Volgens vaste jurisprudentie moet een werknemer ondubbelzinnig beschikbaar zijn voor arbeid om recht te hebben op WW. Appellante had door haar houding en gedrag duidelijk gemaakt dat zij niet beschikbaar was per 1 juni 2007.
Pas vanaf 22 oktober 2007 was zij beschikbaar en kreeg zij alsnog een WW-uitkering toegekend. De Raad oordeelt dat appellante niet voldeed aan de WW-vereisten per 1 juni 2007 en dat het UWV het recht op uitkering terecht heeft ontzegd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering per 1 juni 2007 wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid.
Uitspraak
08/1639 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: rechtbank) van 25 februari 2008, 08/127 en 07/1135, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 maart 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellante is verschenen bij mr. Dieters. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante was sedert 26 augustus 2003 werkzaam als beheerder in dienst van [naam werkgever] (hierna: werkgever). Zij heeft zich laatstelijk ziek gemeld per 9 oktober 2006. Bij brief van 17 maart 2007 heeft de werkgever appellante ervan in kennis gesteld dat het dienstverband met onmiddellijke ingang wordt opgezegd wegens een dringende reden. Appellante heeft tegen dit ontslag geprotesteerd en een advocaat ingeschakeld. Op 16 mei 2007 is tussen appellante en de werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij onder meer is overeengekomen dat het dienstverband met ingang van 1 juni 2007 werd beëindigd.
2.1. Appellante heeft uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) en Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het Uwv het ziekengeld met ingang van 1 juni 2007 geweigerd op de grond dat appellante, door in te stemmen met beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW heeft gepleegd. Dat besluit heeft het Uwv, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 12 oktober 2007 .
2.2. De aanvraag van appellante om een WW-uitkering heeft het Uwv bij besluit van
29 augustus 2007 met ingang van 1 juni 2007 afgewezen op de grond dat appellante ziek was. Bij besluit van 1 november 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2007 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellante in verband met ziekte niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Ter toelichting van dit standpunt heeft het Uwv verwezen naar de WW-aanvraag waar appellante heeft vermeld dat zij wegens rugklachten niet beschikbaar was voor arbeid en dat zij om die reden niet heeft gesolliciteerd. Verder heeft zij op 17 augustus 2007 en 29 augustus 2007 telefonisch aangegeven dat zij ernstige rugklachten had.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.
4.1. Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW stelt als voorwaarde om als werkloos in de zin van de WW te worden aangemerkt dat de werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Ingevolge vaste jurisprudentie, onder meer de uitspraak van de Raad van 24 april 1990, LJN ZB2018, RSV 1990/224, is een werknemer niet beschikbaar om arbeid te aanvaarden indien ondubbelzinnig vaststaat dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken, dat hij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt noch wil stellen. Voor de beoordeling van de beschikbaarstelling mag het Uwv in beginsel afgaan op de opgave van de verzekerde op het aanvraagformulier. Het is in dat geval aan de verzekerde zelf om genoegzaam aan te tonen dat de verstrekte gegevens geen goed beeld geven van de werkelijkheid, zie de uitspraak van de Raad van 28 april 1998, LJN ZB7667, RSV 1998/221.
4.2. Gelet op de gedingstukken is de Raad tot het oordeel gekomen dat appellante door houding en gedrag ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven per 1 juni 2007 niet beschikbaar te zijn geweest voor het aanvaarden van arbeid. Dat zij zich per die datum wel beschikbaar stelde voor werk buiten de horeca, zoals appellante heeft betoogd, is per die datum niet gebleken. Daarvan is eerst sedert 22 oktober 2007 sprake; naar namens appellante ter zitting van de Raad is meegedeeld, is haar (alsnog) per die datum WW-uitkering toegekend. Appellante voldeed per 1 juni 2007 niet aan de voorwaarde voor het recht op WW-uitkering als gesteld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. Het recht op uitkering is appellante dan ook bij het bestreden besluit op goede grond ontzegd.
5.1. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en
B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.