ECLI:NL:CRVB:2009:BI0342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens stagevergoeding thuiswonende zoon
Appellanten ontvingen bijstand volgens de norm voor gehuwden. Hun thuiswonende meerderjarige zoon volgde onderwijs en liep stages waarbij hij stagevergoeding ontving. De Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda stelde vast dat het inkomen van de zoon hoger was dan het bedrag dat vrijgelaten wordt bij de berekening van de bijstand, waardoor de bijstand van appellanten met 10% werd verlaagd en teruggevorderd.
Appellanten voerden aan dat de stagevergoeding als zakgeld moest worden beschouwd en niet als inkomen uit arbeid, omdat het een vergoeding voor praktijkervaring was en geen op geld waardeerbare arbeid. Zij stelden dat de vergoeding na aftrek van reiskosten lager was dan de vrijlatingsnorm.
De Raad oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat de stagevergoeding geheel of gedeeltelijk een onkostenvergoeding betrof, noch dat er aantoonbare reële kosten waren gemaakt. De Raad bevestigde dat de stagevergoeding als inkomen in de zin van de WWB moet worden beschouwd en dat de verlaging van de bijstand terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 10% wegens de stagevergoeding van de zoon wordt bevestigd.