ECLI:NL:CRVB:2009:BI0248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering WW-uitkering na zelfstandige werkzaamheden met onjuiste werkbriefjes
Appellante, sinds 2003 WW-uitkeringsgerechtigde, startte een zelfstandige schoonheidssalon en voerde werkzaamheden uit die verder gingen dan alleen behandeltijd, zoals administratie, acquisitie en zelfstudie. Het UWV stelde op basis van onderzoek en beveiligingsgegevens vast dat appellante haar werkbriefjes onjuist had ingevuld en stelde de omvang van haar werkzaamheden vast, waarna de WW-uitkering per 3 oktober 2005 werd beëindigd en terugvordering werd ingesteld.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de werkzaamheden had bepaald en dat ook overige activiteiten als werktijd moesten worden beschouwd, maar vernietigde de terugvordering vanwege onvoldoende onderzoek naar dringende redenen om af te zien van terugvordering. In hoger beroep bevestigde de Raad dat de omvang van de werkzaamheden juist was vastgesteld en dat appellante wist dat haar werkbriefjes onjuist waren ingevuld. De Raad verwierp het beroep op rechtszekerheid omdat appellante uit het uitblijven van reactie van het UWV geen zekerheid kon ontlenen.
De Raad vernietigde het besluit tot beëindiging van de WW-uitkering per 3 oktober 2005 vanwege onjuiste toepassing van de wet, waardoor het recht op uitkering niet volledig kon worden beëindigd. Het beroep tegen het nieuwe besluit van 24 april 2008 tot terugvordering werd ongegrond verklaard. De Raad bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: De herziening van de WW-uitkering per 3 oktober 2005 wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen; het beroep tegen de terugvordering blijft ongegrond.