ECLI:NL:CRVB:2009:BI0065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering recuperatiebeperkingen
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond dat er een toereikende medische en arbeidskundige grondslag was. In hoger beroep betoogde appellante dat zij vanwege haar rug- en nekklachten niet in staat was om een volledige werkdag te werken zonder regelmatige recuperatie.
De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellante zorgvuldig had vastgesteld in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarbij rekening was gehouden met een forse rugbelastingbeperking en de noodzaak van korte sta- en looppauzes. De medische rapportage van de neurochirurg van 2007 bood geen nieuw gezichtspunt en ondersteunde geen urenbeperking.
De Raad volgde echter de rechtbank niet in het oordeel dat appellante met haar beperkingen de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kon vervullen. De bezwaararbeidsdeskundige had onvoldoende onderbouwd dat in de functies daadwerkelijk de noodzakelijke recuperatieperioden van 5 à 10 minuten per uur konden worden genomen. Hierdoor ontbrak het aan een voldoende gemotiveerd besluit, waardoor het besluit in strijd was met artikel 7:12 Awb Pro en vernietigd moest worden.
De Raad bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, rekening houdend met deze overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent recuperatiebeperkingen.