ECLI:NL:CRVB:2009:BH8678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als parttime schoonmaakster, ontving sinds 2000 een WAO-uitkering wegens psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV stelde in 2002 na medisch en arbeidskundig onderzoek dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg en trok de uitkering per 9 september 2002 in.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door het UWV en de rechtbank ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep vernietigde echter het eerdere vonnis en oordeelde dat de brief van 20 augustus 2002 geen besluit was. Het UWV gaf vervolgens een formeel besluit af tot intrekking van de uitkering.
In hoger beroep stelde appellante dat nieuwe medische informatie van huisarts en psycholoog een andere beoordeling rechtvaardigde. De Raad oordeelde echter dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij ook alle beschikbare medische informatie was betrokken. Er was geen nieuwe informatie die aanleiding gaf de beperkingen anders te beoordelen.
De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering, waarbij werd vastgesteld dat appellante in staat was haar eigen werk van kantoorschoonmaakster op beperkte uren te verrichten. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.