ECLI:NL:CRVB:2009:BH6155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.P.M. Zeijen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd, die is geweigerd omdat hij naar oordeel van het UWV meer dan 65% van zijn loon kan verdienen. Het bezwaar van appellant tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond de medische beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende onderbouwd.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij meer beperkingen heeft dan vastgesteld en dat het ontbreken van een re-integratieverslag een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. De Raad oordeelt echter dat de verzekeringsarts de beperkingen niet heeft onderschat en dat de arbeidskundige onderbouwing adequaat is. Het ontbreken van het re-integratieverslag leidt niet tot een hogere uitkering.
De Raad merkt op dat het protocol Aspecifieke lage rugpijn, dat sinds 6 maart 2006 geldt, niet van toepassing is op de aanvraag van appellant omdat deze vóór die datum is ontvangen. Gezien de medische en arbeidskundige gegevens wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.