ECLI:NL:CRVB:2009:BH6155

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3018 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswettenArt. 5 Wet WIAArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd, die is geweigerd omdat hij naar oordeel van het UWV meer dan 65% van zijn loon kan verdienen. Het bezwaar van appellant tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond de medische beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende onderbouwd.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij meer beperkingen heeft dan vastgesteld en dat het ontbreken van een re-integratieverslag een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. De Raad oordeelt echter dat de verzekeringsarts de beperkingen niet heeft onderschat en dat de arbeidskundige onderbouwing adequaat is. Het ontbreken van het re-integratieverslag leidt niet tot een hogere uitkering.

De Raad merkt op dat het protocol Aspecifieke lage rugpijn, dat sinds 6 maart 2006 geldt, niet van toepassing is op de aanvraag van appellant omdat deze vóór die datum is ontvangen. Gezien de medische en arbeidskundige gegevens wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

07/3018 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 april 2007, 06/1879
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Reitsma, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Drachten, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reitsma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 20 december 2005 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant in staat wordt geacht om meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich op 10 februari 2004 als werkloze wadwerker met rugklachten ziek meldde.
1.2. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard bij besluit van 22 juni 2006 (hierna: bestreden besluit).
2. Namens appellant werd beroep ingesteld. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen aangenomen beperkingen van appellant zoals die zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 oktober 2005. De rechtbank heeft de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voldoende toegelicht geacht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat een mogelijk tekortschieten van het Uwv in re-integratie-inspanningen in de eerste twee ziektejaren niet van betekenis is voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet WIA. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunten herhaald en betoogd dat hij meer beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid dan waarvan het Uwv is uitgegaan en dat daarom de geselecteerde functies niet geschikt zijn. Aan het betoog dat met het achterwege laten door het Uwv van re-integratie-inspanningen en het ontbreken van een re-integratieverslag een bron van informatie voor het vaststellen van beperkingen wordt gemist, heeft appellant ter zitting de conclusie verbonden dat hij als 80% of meer arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aanwijzingen ontbreken dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant heeft onderschat bij het vastleggen daarvan in de FML. De revalidatiearts, die appellant heeft behandeld in het eerste halfjaar van 2005, heeft in zijn brief van 29 september 2005 aan de verzekeringsarts aangegeven dat hij het mogelijk acht dat appellant met zijn chronische lage rugklachten en de bewegingsbeperking van de linkerschouder functioneert in minder belastend werk waarin hij niet te lang achtereen dezelfde houding hoeft aan te nemen. Met de in de FML opgenomen beperkingen heeft de verzekeringsarts tot uitdrukking gebracht dat appellant is aangewezen op werk zonder zware belasting van rug en schouders. De schatting heeft een voldoende medische grondslag.
4.3. De Raad volgt de rechtbank ook in haar oordeel dat de schatting arbeidskundig voldoende is onderbouwd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende toegelicht dat de belasting in de geselecteerde functies blijft binnen de mogelijkheden van appellant. De Raad heeft kennis genomen van de uiteenzetting van de bezwaararbeidsdeskundige dat in de functie van aanvoerbegeleider op een bloemenveiling bij het voortdurend trekken van monster- en partijkarren – een functieaspect dat in het Resultaat functiebeoordeling als zeer belastend wordt aangeduid – geen sprake zou zijn van overschrijding van de belastbaarheid van appellant die door de verzekeringsarts is gesteld op maximaal 15 kg duwen of trekken. De Raad laat een oordeel over deze uiteenzetting achterwege, omdat vaststaat dat, als de functie van aanvoerbegeleider niet voor appellant geschikt zou zijn, drie functies resteren die de schatting kunnen dragen en niet leiden tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage dan de arbeidsdeskundige heeft berekend.
4.4. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat het ontbreken van een re-integratieverslag zou moeten leiden tot toekenning van een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Het om welke reden dan ook niet voorhanden zijn van één van de informatiebronnen die een verzekeringsarts in beginsel ter beschikking staan als hij zich een beeld moet vormen van de ernst van de klachten en de beperkingen die de klachten vormen voor het verrichten van arbeid, kan naar het oordeel van de Raad niet tot gevolg hebben dat in strijd met de wet een uitkering wordt toegekend in een situatie waarin, zoals in het geval van appellant, geen sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 5 Wet Pro WIA.
4.5. De Raad stelt verder vast dat ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten met ingang van 6 maart 2006 bij de beoordeling van lage rugpijn gebruik wordt gemaakt van het protocol Aspecifieke lage rugpijn als hulpmiddel bij de beoordeling van een aanvraag van, onder andere, een uitkering op grond van de Wet WIA die na die datum wordt ontvangen. Dat betekent dat de vraag of de verzekeringsarts bij het ontbreken van het re-integratieverslag zijn verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd op een wijze die door het protocol wordt beoogd in het geval van appellant niet beantwoord hoeft te worden. Zijn aanvraag van 30 september 2005 is door het Uwv ontvangen op 3 oktober 2005.
4.6. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van Y. Bouchikhi als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) Y. Bouchikhi.
KR