ECLI:NL:CRVB:2009:BH6129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering grensarbeider door onjuiste toepasselijkheid Duitse wetgeving
Appellant was werkzaam als metselaar bij een Nederlands en Duits bouwbedrijf en diende een WW-uitkering in na beëindiging van zijn dienstverband per 12 januari 2004. Het UWV trok de uitkering in omdat zij meende dat appellant grensarbeider was en de Duitse wetgeving van toepassing was, waardoor hij in Duitsland een uitkering moest aanvragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant gedurende ruim drie maanden voor het intreden van de werkloosheid in Nederland had gewerkt en dat de werkgever projecten in beide landen had. Hierdoor was sprake van werkzaamheden in twee lidstaten en was op grond van EU-verordening de Nederlandse wetgeving van toepassing.
De Raad oordeelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door niet te onderzoeken welk arbeidsrecht van toepassing was en dat het bestreden besluit niet in stand kon blijven. De uitspraak en het besluit werden vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot intrekking van de WW-uitkering en beveelt het UWV een nieuwe beslissing te nemen op basis van de Nederlandse wetgeving.