ECLI:NL:CRVB:2009:BH6048

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1638 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks fysieke en psychische klachten

Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering, waarbij haar arbeidsongeschiktheid was teruggebracht van 80-100% naar 25-35%. Zij stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met haar rug-, schouder- en psychische klachten, die haar functioneren ernstig beperken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) juist en volledig waren. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van het besluit, mede gelet op de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen en de orthopedisch chirurg.

Het verzoek van appellante om een deskundige in te schakelen werd afgewezen. De Raad concludeerde dat de functies die in aanmerking zijn genomen geschikt zijn voor appellante en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

07/1638 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2007, 06/2178 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Dickhoff, advocaat te Diemen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dickhoff, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. In geding is het besluit van 12 juni 2006 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het Uwv ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van
19 januari 2006. Met dat besluit heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 13 maart 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep is namens appellante -kort samengevat- aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar fysieke en psychische klachten. Appellante ondervindt in het dagelijks functioneren veel beperkingen als gevolg van haar rug- en schouderklachten. Zij gaat gebukt onder de psychische belasting van de vele behandelingen in haar jeugd in verband met de bij haar bestaande scoliose.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen die zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 april 2006. Uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen van 1 december 2005 en van 27 april 2006 blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten, waaronder de polsklachten, de rug- en schouderklachten als gevolg van de sinds de jeugd bij appellante bestaande scoliose en de enkelklachten vanwege een linker enkelbreuk. Uitgebreid is in kaart gebracht tot welke beperkingen in haar functioneren de psychische klachten van appellante leiden. De bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft in verband met de beperkingen als gevolg van de scoliose de FML nog op een drietal items bijgesteld en heeft naar het oordeel van de Raad afdoende en overtuigend gemotiveerd dat voor aanscherping op de overige aspecten van de FML, ook wat betreft de psychische belastbaarheid, geen reden is. In de overgelegde informatie van orthopedisch chirurg H.D. Been van 18 april 2007, die concludeert tot een milde stabiele thoracolumbale scoliose, ziet de Raad geen aanknopingspunten om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist te achten. Aldus is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. Het verzoek om inschakeling van een deskundige wordt afgewezen.
4.3. Uitgaande van de juiste waardering van de beperkingen van appellante, heeft de Raad geen aanwijzigingen dat de in aanmerking genomen functies niet geschikt zouden zijn voor appellante.
4.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.P.M. Zeijen en
M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van Y. Bouchikhi als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) Y. Bouchikhi.
JL