ECLI:NL:CRVB:2009:BH5175

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3057 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 10 mei 2006 in te trekken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn gewrichts- en psychische klachten, ondersteund door medicatiegegevens en een brief van een geestelijke gezondheidszorginstelling.

De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de vastgestelde beperkingen. De psychische klachten en medicatiegebruik waren door de bezwaarverzekeringsarts betrokken in de beoordeling, die geen aanleiding zag voor verdere beperkingen. Ook de fysieke beperkingen, waaronder het aspect van schroefbewegingen, waren adequaat meegewogen in de Functionele Mogelijkheden Lijst.

De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank dat de functies waarop de schatting was gebaseerd geschikt waren voor appellant. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellant wordt bevestigd.

Uitspraak

07/3057 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 april 2007, 06/3708
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J.G. van der Donck, advocaat te Houten, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben aanvullende stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009, waar namens appellant is verschenen mr. Van der Donck, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. In geding is het besluit van 8 september 2006 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 maart 2006. Met dat besluit heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 mei 2006 ingetrokken.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. Namens appellant is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn gewrichts- en psychische klachten. Ter ondersteuning is gewezen op zijn medicatie en is een brief van Altrecht geestelijke gezondheidszorg van 20 maart 2007 overgelegd. Tenslotte is gesteld dat de beperkingen die appellant ondervindt bij het maken van schroefbewegingen ten onrechte uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn geschrapt.
4. De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege het Uwv zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de psychische gezondheidstoestand van appellant heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de beperkingen op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld. In dit verband onderschrijft de Raad hetgeen de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel heeft gesteld in zijn rapportage van 3 augustus 2006 en zijn in hoger beroep ingezonden rapportages. De bezwaarverzekeringsarts heeft de gegevens van het primair verzekeringsgeneeskundig onderzoek, de huisarts van appellant en zijn behandelaars, alsook de informatie van Altrecht en het medicijngebruik bij zijn oordeelsvorming betrokken en heeft voldoende aangegeven waarom er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen van de psychische belastbaarheid van appellant aan te nemen. Voor wat betreft de gewrichtsklachten is de Raad van oordeel dat deze, gelet op de gegevens van de huisarts, afdoende zijn meegewogen bij het vaststellen van de fysieke belastbaarheid. Tenslotte overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts de beroepsgrond over het schrappen van het aspect schroefbewegingen maken afdoende heeft weerlegd. Vastgesteld kan worden dat de FML voldoende rekening houdt met de klachten en beperkingen van appellant.
5. Voor wat betreft de motivering van de bij deze schatting geduide functies, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet geschikt zouden zijn voor appellant. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank dienaangaande in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.
6. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.L. de Gier.
CVG