ECLI:NL:CRVB:2009:BH4546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens niet opgegeven werkzaamheden als directeur autohandel
Appellant ontving sinds 1981 een WAO-uitkering, berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid vanaf 1992. Uit een rapport van het UWV bleek dat appellant van 1995 tot 2002 als directeur en enig aandeelhouder van een autohandel werkzaam was, zonder dit aan het UWV te melden. Het UWV trok daarom de uitkering met terugwerkende kracht in per 1 januari 1998.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant passende arbeid verrichtte met een aantoonbare loonwaarde en dat het UWV terecht de uitkering introk. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet werkzaam was, dat getuigenverklaringen onjuist waren en dat er geen medisch onderzoek had plaatsgevonden.
De Raad oordeelde dat de oorspronkelijke getuigenverklaringen geloofwaardig waren en dat appellant geen opgave had gedaan van zijn werkzaamheden. De fiscale loonvaststelling, inclusief een opslag, werd gevolgd omdat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. Het UWV mocht de uitkering intrekken met terugwerkende kracht zonder strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht wordt bevestigd omdat appellant passende arbeid verrichtte zonder dit te melden.