ECLI:NL:CRVB:2009:BH4523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering zonder voldoende medische grondslag niet gerechtvaardigd
Appellante ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% na klachten aan linkerarm, schouder, nek en rug. In 2005 werd haar uitkering ingetrokken door het UWV, dat stelde dat zij weer geschikt was voor haar werk als buschauffeur. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad constateert dat de klachten van appellante sinds 2001 bestonden en dat specialistische onderzoeken geen duidelijke medische verklaring voor haar pijnklachten opleverden, maar dat dit onvoldoende is om arbeidsongeschiktheid te ontkennen. Rapportages van verzekeringsartsen en specialisten tonen beperkingen in beweeglijkheid en functie aan, passend bij diagnoses zoals fibromyalgie en cervicobrachialgie.
De Raad stelt vast dat het UWV zich ten onrechte baseerde op het ontbreken van een medische verklaring om de uitkering in te trekken. Er is onvoldoende medische grondslag voor de intrekking, waardoor het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd. De Raad herroept het besluit van 26 mei 2005 en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende medische grondslag.