ECLI:NL:CRVB:2009:BH3690

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2388 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4:2 AwbArt. 12 WSF 2000Art. 3.14 WSF 2000
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek loskoppeling ouderlijk inkomen bij studiefinanciering wegens onvoldoende bewijs niet-ontvangen alimentatie

Appellant verzocht om het inkomen van zijn vader buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs studiefinanciering (loskoppeling). Dit verzoek werd door de IB-Groep afgewezen omdat appellant verondersteld werd alimentatie te ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat de alimentatie al 12 maanden oninbaar was.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de alimentatie wel oninbaar was en overlegde correspondentie met het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO). De Raad oordeelde dat appellant voldoende bewijs moest leveren, bijvoorbeeld een verklaring van het LBIO, om aannemelijk te maken dat hij de alimentatie niet ontvangt.

Appellant slaagde hier niet in omdat het formulier voor overname inning kinderalimentatie niet bij het LBIO was geregistreerd en hij niet aannemelijk had gemaakt dat het formulier was verzonden of ontvangen. Ook de stelling dat het LBIO niet optimaal functioneert, bood geen grond voor andersluidende conclusie.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot loskoppeling omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de alimentatie niet ontvangt.

Uitspraak

08/2388 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 maart 2008, 07/705 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 20 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Ramsoedh, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2009.
Appellant is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr.drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft gedateerd 13 juli 2006 een verzoek gedaan om bij de vaststelling van de door hem gevraagde aanvullende beurs het inkomen van zijn vader buiten beschouwing te laten (verzoek om loskoppeling).
1.2. Bij besluit van 9 februari 2007 is dit verzoek afgewezen.
1.3. De IB-Groep heeft het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 4 juni 2007 (bestreden besluit) niet gehonoreerd door te overwegen dat appellant weliswaar voldoet aan de vereisten voor loskoppeling, maar niet behoeftig is, omdat hij verondersteld wordt van zijn vader alimentatie te ontvangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet op de studiefinanciering (WSF 2000) ontvangen alimentatie in de plaats komt van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Bij de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 9 maart 1994 is de alimentatie voor appellant bepaald op f 250,- per maand. Appellant heeft niet aangetoond dat die alimentatie reeds 12 maanden oninbaar is.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Namens appellant is aangevoerd dat de alimentatie wel 12 maanden oninbaar is. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt correspondentie met het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) overgelegd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Vast staat dat appellant in beginsel voldoet aan de vereisten om het inkomen van zijn vader buiten beschouwing te laten.
4.3. Daarnaast moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000).
Op grond van dit artikel komt, indien een studerende alimentatie ontvangt, het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage.
4.4. Bij beschikking van de rechtbank van 9 maart 1994 is bepaald dat de vader van appellant een bedrag van f 250,- per maand aan alimentatie voor appellant zal betalen.
4.5. De Raad is van oordeel dat een studerende die stelt dat hij geen alimentatie ontvangt, moet aantonen of in ieder geval aannemelijk maken dat hij een door de rechter vastgestelde alimentatie niet ontvangt, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van het LBIO.
4.6. Appellant is hier niet in geslaagd. Hij heeft weliswaar een op 21 februari 2001 gedateerd Formulier overname inning kinderalimentatie overgelegd, maar in de brief van het LBIO van 8 januari 2007 is vermeld dat dit formulier niet bij het LBIO is ontvangen, althans, niet als zodanig is geregistreerd, zodat het LBIO de inning van kinderalimentatie niet ter hand heeft genomen. Appellant heeft de verzending van dit formulier aan noch de ontvangst daarvan door het LBIO aannemelijk gemaakt. De stelling van appellant dat het LBIO niet optimaal functioneert, maakt dit niet anders. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat appellant de alimentatie niet heeft ontvangen.
4.7. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
JL