ECLI:NL:CRVB:2009:BH3093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn vastgesteld. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen ervan. In hoger beroep betoogde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met haar gehoorverlies, evenwichtsstoornissen, rugklachten en psychische klachten, en verzocht zij om benoeming van een medisch deskundige.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de bezwaarverzekeringsarts terecht afzag van het opvragen van aanvullende medische gegevens. De klachten van appellante werden gemotiveerd beoordeeld en ondersteund door de stukken, zonder dat zij tegenbewijs aanvoerde. De beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waren adequaat onderbouwd, ook ten aanzien van de geselecteerde functies.
Verder werd vastgesteld dat de arbeidsdeskundige voldoende motiveerde waarom de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante. De Raad verwierp ook de stelling dat toeslagen in het maatmaninkomen moesten worden meegenomen, omdat dit de conclusie over de mate van arbeidsongeschiktheid niet zou veranderen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De intrekking van de WAO-uitkering blijft in stand omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.