ECLI:NL:CRVB:2009:BH1272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds november 2000 bijstand als alleenstaande ouder, welke per 1 augustus 2005 werd ingetrokken. Het College stelde een onderzoek in nadat bekend werd dat appellante een huis in Polen bezit, samenwoont met een Poolse man en regelmatig in Polen verblijft. Op basis van dit onderzoek werd de bijstand over de periode van 14 februari 2001 tot en met 31 juli 2005 ingetrokken en teruggevorderd.
Het College stelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van eigendom van onroerend goed en autotransacties, alsmede onvolledige informatie over bankstortingen. De Raad bevestigt dat appellante gedurende de relevante periode 19 kentekens op haar naam had staan en dat zij de auto’s aan particulieren heeft verkocht zonder dit te melden. Daarnaast heeft zij het bezit van een woning in Polen niet gemeld, ondanks dat zij dit niet met objectieve gegevens heeft kunnen ontkrachten.
De Raad oordeelt dat door deze schendingen niet kan worden vastgesteld of appellante recht had op bijstand in de betreffende periode. Het College was daarom bevoegd om de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. De Raad ziet geen aanleiding om het beleid van het College op dit punt te wijzigen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.