ECLI:NL:CRVB:2009:BH1006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische motivering beperkingen rechterarm
Appellante, die sinds 1998 een WAO-uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid na een linker polsbreuk, kreeg haar uitkering per 18 januari 2006 herzien van 80-100% naar 25-35% arbeidsongeschiktheid. Dit besluit werd door de rechtbank Arnhem vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent beperkingen van haar rechterarm en -hand. Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit dat de bezwaren ongegrond verklaarde, gebaseerd op een medische beoordeling waarin geen beperkingen aan de rechterzijde werden erkend.
In hoger beroep stelde appellante dat zij reeds op 18 januari 2006 duidelijke beperkingen aan haar rechterarm en -hand had, ondersteund door medische rapporten van haar huisarts en een medisch adviseur. De bezwaarverzekeringsarts vond echter geen objectieve afwijkingen op die datum en meende dat klachten pas later te objectiveren waren. De Raad oordeelde dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de beperkingen op de relevante datum al aanwezig waren en dat twijfel niet in het nadeel van appellante mag werken.
De Raad vernietigde het besluit van 22 maart 2007 en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het besluit van 22 maart 2007 wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.