ECLI:NL:CRVB:2009:BH1000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering ziekengeld en toekenning schadevergoeding wegens schending redelijke termijn
Appellante werkte vanaf september 2001 als productiemedewerkster en meldde zich in november 2001 ziek wegens spanningsklachten. Na onderzoek besloot het UWV per 16 augustus 2002 dat zij vanaf 1 juli 2002 geen recht meer had op een Ziektewet-uitkering. Diverse bezwaar- en beroepsprocedures volgden, waarbij het UWV steeds het standpunt handhaafde dat appellante in staat was tot arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het besluit als primair werd aangemerkt.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de medische rapportages van de bezwaarverzekeringsartsen, ondanks het ontbreken van nieuwe medische gegevens, voldoende gemotiveerd zijn om het eerdere standpunt te handhaven dat appellante vanaf 1 juli 2002 arbeidsgeschikt is. De Raad acht de werkomschrijving van de functie productiemedewerker juist en concludeert dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd.
De Raad stelt echter vast dat de procedure vanaf het indienen van het bezwaar in september 2002 tot de uitspraak in januari 2009 ruim zes jaar duurde, waarbij het aandeel van het UWV in de overschrijding circa drie jaar en twee maanden bedroeg. Dit is een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en kent appellante een immateriële schadevergoeding van € 2.500 toe. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en appellante ontvangt een schadevergoeding van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.