ECLI:NL:CRVB:2009:BG9684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij WWB-aanvraag partner
Appellant diende een aanvraag om bijstand in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) in, aanvankelijk als alleenstaande en later gewijzigd naar een gezinsuitkering. Het College wees de aanvraag aanvankelijk af omdat de partner van appellant de aanvraag niet medeondertekende. Na bezwaar en beroep ondertekende de partner alsnog de aanvraag, waarna het College de bijstand toekende met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat appellant geen materieel belang meer had nu de uitkering was toegekend. Appellant handhaafde het beroep om principiële redenen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat procesbelang vereist is dat het beroep kan leiden tot een voor appellant gunstiger resultaat. Dit was niet het geval omdat de aanvraag volledig was gehonoreerd en het belang van de medeondertekening bij de partner lag. Daarom bevestigde de Raad de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en deed uitspraak in het openbaar op 5 januari 2009.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.