ECLI:NL:CRVB:2008:BG8901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WW-uitkering wegens beëindiging dienstverband na onbetrouwbare werkgever
Appellant was sinds 1991 in dienst bij een installatiebedrijf en kreeg zijn arbeidsovereenkomst ontbonden in december 2005, waarna hij een WW-uitkering aanvroeg. In januari 2006 trad hij in dienst bij een nieuwe werkgever, maar het schriftelijke contract bevatte een lager salaris dan was afgesproken. Ondanks verzoeken om correctie ontving appellant geen aangepast contract en verloor hij het vertrouwen in de werkgever. Na contact met het CWI beëindigde hij het dienstverband en vroeg een WW-uitkering aan.
Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn door het ontslag zonder noodzakelijke reden. De rechtbank onderschreef dit oordeel. In hoger beroep stelde appellant dat de informatie van het CWI hem deed geloven dat beëindiging van het dienstverband geen gevolgen voor de WW-uitkering zou hebben.
De Raad concludeerde dat appellant terecht twijfels had over de werkgever vanwege het niet corrigeren van het contract, maar dat hij nog niet alle mogelijkheden had benut om dit te laten herstellen. Wel was de indruk gewekt door het CWI dat het ontslag geen gevolgen zou hebben, waardoor appellant de werkloosheid niet in overwegende mate kan worden verweten. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen, inclusief een beslissing over schadevergoeding en kosten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.