ECLI:NL:CRVB:2008:BG8071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellant ontvangt sinds 1993 een WAO-uitkering wegens psychische klachten en arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV besloot de uitkering per 30 december 2004 te verlagen, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep herzag dit.
De Raad benoemde een deskundige die vaststelde dat het huidige toestandsbeeld van appellant een betrouwbare beoordeling van zijn gezondheid op de peildatum onmogelijk maakt. De medische beoordeling van 12 juli 2004, waarop de verlaging was gebaseerd, werd als te smal en niet onderbouwd door specialistische informatie beoordeeld.
Gezien de verslechterde sociaal-economische situatie van appellant en de twijfel over zijn arbeidsmogelijkheden, oordeelde de Raad dat het UWV-besluit onvoldoende gemotiveerd was. De Raad vernietigde het besluit van 6 juni 2005 en herroept het besluit van 25 november 2004, waarbij de arbeidsongeschiktheid op 80-100% werd vastgesteld.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Hiermee werd appellant in het gelijk gesteld en kreeg hij een adequate rechtsbescherming tegen het besluit tot verlaging van zijn uitkering.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd en de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80-100%.