ECLI:NL:CRVB:2008:BG6830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- T. van Peijpe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel korting WW-uitkering wegens onvoldoende medewerking re-integratie
Appellante kreeg haar WAO-uitkering ingetrokken en vroeg vervolgens een WW-uitkering aan. Tijdens een intakegesprek gaf zij aan ziek te zijn en niet tot re-integratieactiviteiten in staat te zijn. Het UWV legde daarop een korting van 10% gedurende 16 weken op haar WW-uitkering op wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze maatregel ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ruim voor het moment van werkloosheid had aangegeven niet tot re-integratie in staat te zijn en dat zij wel had gesolliciteerd en stond ingeschreven bij het CWI.
De Raad oordeelde dat de verplichtingen tot werkhervatting uit de WW gelden vanaf het moment dat de werknemer redelijkerwijs kan weten dat hij werkloos zal worden, hier 17 augustus 2005. Door het standpunt in het intakegesprek op 12 september 2005 dat zij ziek was en niet kon meewerken, heeft appellante onvoldoende meegewerkt aan re-integratie. Het UWV was daarom terecht gehouden een maatregel op te leggen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De korting van 10% gedurende 16 weken op de WW-uitkering wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie wordt bevestigd.