ECLI:NL:CRVB:2008:BG6269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na plichtsverzuim
Betrokkene was sinds 1980 in dienst bij een gemeente en kreeg in 2004 ontslag wegens plichtsverzuim, gerelateerd aan het instellen en gebruiken van een informele kas buiten de reguliere geldstromen. Aanvankelijk werd een WW-uitkering toegekend, maar later ingetrokken vanwege verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen het ontslagbesluit ongegrond, maar oordeelde dat het ontslag niet voorzienbaar was voor betrokkene. De Raad vernietigde deze uitspraak en stelde dat het strafontslag niet onevenredig was gezien de ernst van het plichtsverzuim.
Het UWV wijzigde zijn standpunt en weigerde de WW-uitkering blijvend, maar motiveerde dit onvoldoende. De Raad vernietigde dit besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel, maar liet de rechtsgevolgen van de weigering in stand omdat betrokkene redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan zowel het College van burgemeester en wethouders als betrokkene. De uitspraak bevestigt dat verwijtbaar werkloosheid wegens ernstig plichtsverzuim kan leiden tot volledige weigering van een WW-uitkering.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid door plichtsverzuim, ondanks vernietiging van het besluit wegens onvoldoende motivering.