ECLI:NL:CRVB:2008:BG6259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th Elshoff
- Rechtspraak.nl
Geen recht op herleving WW-uitkering na verblijf langer dan zes maanden in het buitenland
Appellant had een WW-uitkering van november 1993 tot maart 1994, gevolgd door een Ziektewetuitkering en een WAO-uitkering die in november 2005 werd ingetrokken. Appellant woonde toen in Marokko en keerde in september 2006 terug naar Nederland, waarna hij een WW-uitkering aanvroeg met terugwerkende kracht vanaf november 2005.
Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant langer dan zes maanden in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie, wat volgens artikel 19, eerste lid, onder f, van de WW een belemmering vormt voor herleving van het recht op WW-uitkering. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het recht op WW-uitkering niet herleeft omdat appellant de termijn van zes maanden verblijf in het buitenland overschreed. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en benadrukt dat de wetgever niet wenst dat werknemers aanspraak maken op WW-uitkering na langdurige afwezigheid van de arbeidsmarkt.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het beroep van appellant af, zonder toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het recht op herleving van de WW-uitkering wordt afgewezen vanwege verblijf langer dan zes maanden in het buitenland anders dan wegens vakantie.