ECLI:NL:CRVB:2008:BG6256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens niet aanvaarden passend arbeidsovereenkomst na drie tijdelijke contracten
Appellant werkte sinds 2 februari 2004 op basis van opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever. Na drie contracten voor bepaalde tijd bood de werkgever een vierde contract aan, wederom voor bepaalde tijd, wat appellant niet aanvaardde omdat hij meende dat dit onwettig was. Hierdoor werd zijn WW-uitkering geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank oordeelde dat appellant terecht de uitkering werd geweigerd omdat hij passende arbeid niet had behouden. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat hij en de werkgever beiden hadden gedwaald over de geldigheid van het vierde tijdelijke contract, waardoor hem niet in overwegende mate kan worden verweten het aanbod niet te hebben aanvaard.
De Raad overwoog dat volgens artikel 7:668a BW het vierde contract als een contract voor onbepaalde tijd moet worden beschouwd, maar dat zowel appellant als werkgever dit niet wisten. Gezien deze dwaling en de omstandigheden, waaronder het belang van appellant om zijn rechtspositie te kennen vanwege een mogelijke verhuizing, achtte de Raad verminderde verwijtbaarheid van toepassing.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd vanwege verminderde verwijtbaarheid van appellant.