ECLI:NL:CRVB:2008:BG3959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering ondanks hand- en schouderbeperkingen
Appellant stelde in hoger beroep dat hij vanwege pijnklachten en krachtsverlies in zijn dominante linkerhand niet geschikt was voor de functies waarop de WAO-uitkering was gebaseerd. Hij voerde aan dat de functies onterecht waren geduid, omdat deze bijzondere eisen stellen aan hand- en vingergebruik, en dat het Uwv onvoldoende rekening had gehouden met zijn beperkingen, waaronder reiken.
De Raad verwees naar eerdere rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige, die concludeerden dat ondanks een verminderde knijpkracht de appellant functioneel aan de eisen van de geduide functies kan voldoen. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, omdat het medisch onderzoek geen beperkingen in fijne motoriek aantoonde en het verlies aan verdienvermogen was vastgesteld op 27,2%.
In hoger beroep werden geen nieuwe medische gegevens overgelegd die het standpunt van appellant ondersteunden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat de belastbaarheid van appellant binnen de grenzen van de geduide functies bleef, ook met betrekking tot het reiken. De toekenning van de WAO-uitkering werd daarom bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 7 november 2008 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van een gedeeltelijke WAO-uitkering van 25-35% en verklaart het hoger beroep ongegrond.