ECLI:NL:CRVB:2008:BG3291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering en vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante meldde zich in april 1999 ziek vanwege zwangerschap gerelateerde klachten. In februari 2001 werd een WAO-uitkering toegekend met ingang van april 2000, maar zij maakte bezwaar tegen de ingangsdatum. Na diverse besluiten en een uitspraak van de rechtbank werd de ingangsdatum vastgesteld op 27 juli 2000.
In hoger beroep betoogde appellante dat zowel de medische als arbeidskundige grondslag van de schatting van haar arbeidsongeschiktheid onjuist was en dat de procedure onredelijk lang had geduurd. De Raad bevestigde de medische en arbeidskundige beoordeling en oordeelde dat appellante geen nieuwe objectieve medische gegevens had ingebracht die het oordeel konden wijzigen.
De Raad stelde vast dat de procedure vanaf het bezwaar in maart 2001 tot de uitspraak in oktober 2008 ruim zeven jaar en zeven maanden had geduurd, wat de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro overschreed. Dit werd toegerekend aan niet-verontschuldigbare traagheid van het UWV. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard, het besluit vernietigd en een immateriële schadevergoeding van € 3.000 toegekend.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven in stand, aangezien de arbeidskundige onderbouwing toereikend was. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WAO-uitkering is vastgesteld op 27 juli 2000 en appellante ontvangt een schadevergoeding van € 3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.