ECLI:NL:CRVB:2008:BG1672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Herziening WAZ-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag na overlijden zoon
Appellant, een zelfstandig interim-manager, viel in 2000 en opnieuw in 2004 uit wegens surmenage en burn-outklachten en ontving een WAZ-uitkering. Na het overlijden van zijn zoon op 2 juni 2005 werd zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld.
De verzekeringsarts stelde vast dat appellant ondanks toegenomen psychische klachten nog functioneerde, maar het onderzoek hield onvoldoende rekening met de situatie op de dag van het overlijden. De bezwaararbeidsdeskundige herzag de mate van arbeidsongeschiktheid, maar de rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen niet waren onderschat en handhaafde het besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ontoereikend was omdat er geen gericht onderzoek naar de situatie van appellant op 2 juni 2005 heeft plaatsgevonden. Het besluit is daarom niet op een deugdelijke medische grondslag gebaseerd en wordt vernietigd. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de overwegingen van de Raad. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor de beoordeling per 2 juni 2005 en het UWV dient een nieuw besluit te nemen.