ECLI:NL:CRVB:2008:BG1403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering AAW/WAO-uitkering wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 15 maart 2002 waarin zijn aanvraag voor een AAW/WAO-uitkering per 19 mei 1995 werd geweigerd vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na diverse procedures oordeelde de Raad in 2005 dat het besluit geen arbeidskundig onderzoek bevatte en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen. Het UWV handhaafde het besluit bij een nieuw besluit van 17 maart 2006, waartegen appellant opnieuw beroep instelde.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen, met name op het gebied van luchtverplaatsing en blootstelling aan stof, rook, gas en damp, onvoldoende zijn meegewogen en dat het UWV de redelijke termijn voor besluitvorming had overschreden, wat in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. De Raad overwoog dat de vastgestelde belastbaarheid van appellant juist was vastgesteld en dat de functies passend waren, mede omdat sterke luchtverplaatsing slechts incidenteel voorkomt.
De Raad constateerde dat de totale besluitvorming door het UWV 18 maanden in beslag had genomen, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent. Daarom verklaarde de Raad het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 17 maart 2006, terwijl de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de AAW/WAO-uitkering wordt vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, met inachtneming van de rechtsgevolgen en veroordeling in proceskosten.