ECLI:NL:CRVB:2008:BG1166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Betrokkene, voormalig inpakster/naaister, ontving sinds 1987 een WAO-uitkering wegens psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2005 trok appellant de uitkering in op grond van een medische beoordeling die een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% vaststelde. Betrokkene maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege onvoldoende motivering en onvolledig medisch onderzoek.
In hoger beroep stelde appellant dat betrokkene geen recht had op een uitlooptermijn van zes maanden vanwege haar EU-nationaliteit en dat medisch onderzoek wel degelijk volledig was, ondanks het ontbreken van reactie van de cardioloog. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit vernietigde vanwege de uitlooptermijn en dat het medisch onderzoek voldoende was.
De Raad concludeerde dat appellant bij de beoordeling van de functionele beperkingen van betrokkene zorgvuldig had gehandeld, onder meer door een neuropsychiatrisch onderzoek te laten verrichten dat geen depressie vaststelde. De vastgestelde beperkingen werden adequaat verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst, en de betrokkene kon naar het oordeel van de Raad passende functies vervullen. Het hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard, het beroep van betrokkene ongegrond en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd.