ECLI:NL:CRVB:2008:BG0957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een Wajong-uitkering toe te kennen per 30 april 2004, omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante de medische beoordeling en de arbeidskundige grondslag, en voerde zij aan dat het maatmaninkomen onterecht was verlaagd.
De Raad oordeelde dat er geen nieuwe medische stukken waren die de eerdere beoordeling konden weerleggen en dat de medische beperkingen van appellante voldoende waren vastgesteld. De functies waarop de schatting was gebaseerd (kassamedewerker, caissière, winkelhulpkracht en inpakker) werden als passend beschouwd. De Raad vond de motivering van het UWV inzake deze functies afdoende en inzichtelijk.
Ten aanzien van het maatmaninkomen stelde de Raad vast dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor een verhoging tot 1,5 maal het wettelijk minimumloon, omdat zij niet arbeidsongeschikt was geworden binnen een jaar voorafgaand aan het behalen van haar MBO-diploma. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; weigering Wajong-uitkering bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.