ECLI:NL:CRVB:2008:BF6912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en terugvordering bijstand ex-gehuwden
Appellanten, ex-gehuwden met drie kinderen, ontvingen bijstand waarvan het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam meende dat deze onterecht was verleend vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding daarvan. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand over een te lange periode heeft toegepast en vernietigt het besluit voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 29 december 2004 wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beoordeelt vervolgens of sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB en Abw. Hoewel appellante een eigen woonadres had, woonde zij feitelijk bij appellant en was er sprake van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijke verzorging van kleinkinderen en gedeeld gebruik van auto's. Dit leidt tot de conclusie dat appellante geen zelfstandig recht op bijstand had.
De strafrechtelijke procedure tegen appellant wegens valsheid in geschrifte is geseponeerd en doet niet af aan het bestuursrechtelijke oordeel. De Raad bevestigt dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering van de bijstandskosten mede van appellant. Het hoger beroep tegen de terugvordering wordt ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen de intrekking gedeeltelijk gegrond is verklaard. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd over de periode 1 juli 1997 tot 29 december 2004, maar de terugvordering van bijstandskosten mede van appellant wordt bevestigd.