ECLI:NL:CRVB:2008:BF6882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens onvoldoende verlies arbeidsuren
Appellante was als docente werkzaam met een dienstverband van 85,97% dat per 1 september 2006 werd teruggebracht naar 73,47%, wat een vermindering van 195 klokuren per jaar betekende. Het UWV weigerde een WW-uitkering omdat het arbeidsurenverlies volgens hen minder dan vijf uur per week bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het UWV de berekening baseerde op de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren. Appellante stelde in hoger beroep dat haar werkrooster wel een juist beeld gaf en dat het arbeidsurenverlies vijf uur per week bedroeg, mede omdat de werkgever toestemming had gekregen voor een gedeeltelijk ontslag van vijf uur per week.
Tijdens de zitting gaf het UWV aan het eerdere besluit te herzien omdat de berekeningswijze niet op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd. Het nieuwe besluit stelde het arbeidsurenverlies vast op 4,5 uur per week, gebaseerd op de 26 weken voorafgaand aan het verlies. De Raad oordeelde dat deze berekeningswijze juist was en dat het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond moest worden verklaard.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak bevestigt dat het begrip arbeidsurenverlies feitelijk moet worden opgevat en dat de wettelijke bepalingen van de WW leidend zijn bij de vaststelling van het recht op WW-uitkering.
Uitkomst: Het oorspronkelijke besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd, het nieuwe besluit wordt bevestigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.