ECLI:NL:CRVB:2008:BF6697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering wegens meerinkomen en weigering toepassing hardheidsclausule studiefinanciering
Appellant ontving in 2003 studiefinanciering van de IB-Groep, die na controle van zijn neveninkomsten een vordering wegens meerinkomen vaststelde. Appellant betwistte dat zijn toetsingsinkomen correct was vastgesteld, omdat hij zijn loon voor werkzaamheden in 2003 pas in januari 2004 ontving. Tevens voerde hij aan dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege bijzondere omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het loon dat in januari 2004 werd betaald, voor zover het betrekking had op 2003, reeds in 2003 vorderbaar en inbaar was, zodat de IB-Groep het toetsingsinkomen correct had vastgesteld volgens artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000.
Met betrekking tot de hardheidsclausule overwoog de Raad dat deze niet toegepast kan worden als de wettelijke bepaling in overeenstemming is met de bedoeling en strekking van de wet. Omdat de wetgever duidelijk heeft bepaald dat een vordering wegens meerinkomen moet worden vastgesteld bij overschrijding van de vrije voet, en appellant geen bijzondere omstandigheden aannemelijk had gemaakt, was de weigering van toepassing van de hardheidsclausule terecht.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vordering wegens meerinkomen en wijst het beroep tegen de weigering van toepassing van de hardheidsclausule af.