ECLI:NL:CRVB:2008:BF5124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onvoldoende motivering schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1998 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in per 18 februari 2004 na onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat appellant geen opnames deed voor levensonderhoud en geen opgave had gedaan van zijn eenmanszaak en bestuursfunctie bij een stichting.
Na een nader onderzoek handhaafde het College de intrekking en vorderde het de bijstand terug over de periode 1998-2004. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij voldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie, dat het College bekend was met zijn onderhuurinkomsten en dat hij geen inkomsten had uit zijn eenmanszaak of bestuursfunctie.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij een eenmanszaak had en bestuurslid was, maar vond dat het College onvoldoende had gemotiveerd dat hierdoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Er waren geen concrete aanwijzingen voor verzwegen inkomsten en het College had onvoldoende onderzoek verricht, bijvoorbeeld naar subsidies aan de stichting.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen.