ECLI:NL:CRVB:2008:BF4064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag
Appellant ontvangt sinds 1998 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het UWV heeft bij besluit van 15 augustus 2005 de uitkering per 5 oktober 2005 ingetrokken, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De bezwaren van appellant tegen dit besluit werden bij besluit van 31 januari 2006 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 31 januari 2006 ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit. In hoger beroep herhaalde appellant grotendeels zijn eerdere bezwaren. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, maar stelt vast dat de arbeidskundige grondslag pas deugdelijk is gemotiveerd met het in hoger beroep overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige.
Daarom vernietigt de Raad de aangevallen uitspraak en het besluit van 31 januari 2006 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.