ECLI:NL:CRVB:2008:BE9536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en weigering overgangstermijn gedetineerde
Appellant ontving sinds 1973 een WAO-uitkering en was sinds 1999 gedetineerd. Na inwerkingtreding van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) in 2000 onderzocht het UWV de invloed hiervan op zijn uitkering en schortte deze op. Het UWV trok de uitkering in per 1 juni 2000 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellant vorderde terugbetaling van ten onrechte betaalde bedragen, wat door rechtbank en Raad werd afgewezen.
De Raad oordeelde in 2004 dat de overgangstermijn van één maand strijdig was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en stelde dat zes maanden passend zouden zijn. Appellant verzocht daarop om alsnog zes maanden uitkering, maar het UWV weigerde dit omdat het eerdere besluit rechtens onaantastbaar was geworden. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat hij de rechtsmiddelen niet had kunnen uitputten vanwege gebrek aan rechtsbijstand en financiële middelen, verwijzend naar het arrest Dangeville. De Raad oordeelde echter dat appellant wel degelijk de mogelijkheid had om beroep in te stellen en dat zijn situatie niet vergelijkbaar was met Dangeville. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en weigert een overgangstermijn toe te kennen.