ECLI:NL:CRVB:2008:BE9128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.J.A. Kooijman
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake ontbreken gezamenlijke huishouding bij bijstandsverlening
Betrokkene ontving sinds 1977 een bijstandsuitkering op grond van de WWB. Naar aanleiding van een onderzoek naar het vermogen van betrokkene en zijn partner stelde de gemeente Groningen vast dat zij mogelijk een gezamenlijke huishouding voerden, wat gevolgen had voor de bijstandsverlening. Op basis van verklaringen en een laag water- en energieverbruik werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor gezamenlijke huishouding en vernietigde het besluit van de gemeente. De gemeente ging in hoger beroep en stelde dat de verklaring van de partner en het geringe verbruik voldoende waren om van gezamenlijke huishouding uit te gaan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag boden voor het aannemen van gezamenlijke huishouding. De Raad vond dat de gemeente onvoldoende had onderbouwd waarom de verklaring van de partner doorslaggevend was en dat het lage verbruik onvoldoende was als bewijs. De Raad stelde dat nader onderzoek, zoals huisbezoek of buurtonderzoek, had moeten plaatsvinden.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd de gemeente veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van de gemeente wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; de intrekking en terugvordering van bijstand zijn onterecht.