ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand
Betrokkene, geboren in 1950, heeft vanaf 1976 diverse arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangen en in 2003 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Hij vroeg op 12 februari 2004 een langdurigheidstoeslag aan op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Almere afgewezen omdat betrokkene inkomsten uit arbeid zou hebben ontvangen en niet voldeed aan de voorwaarden.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarna het college een nieuw besluit nam dat de afwijzing handhaafde. Betrokkene ging hiertegen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het geringe verschil tussen het inkomen van betrokkene en de bijstandsnorm in 2003 niet rechtvaardigt dat de aanvraag wordt afgewezen. Echter, omdat betrokkene een uitkering op grond van de Wet BIA ontving die voor de WWB als inkomen uit arbeid wordt aangemerkt, had hij geen recht op de toeslag.
Daarnaast stelde de Raad vast dat betrokkene geen proceskostenvergoeding verschuldigd was omdat hij geen kosten had gemaakt voor beroepsmatige rechtsbijstand. De Raad vernietigde het eerdere besluit voor zover het betrokkene tot proceskosten veroordeelde, verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 17 mei 2006, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en betrokkene heeft geen recht op vergoeding van proceskosten.