ECLI:NL:CRVB:2008:BD7165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum WAO-uitkering bij zwangerschapsgerelateerd verzuim
Appellante was sinds november 1999 werkzaam als administratief medewerkster en viel vanaf mei 2001 uit wegens zwangerschapsklachten. Zij hervatte haar werk slechts gedeeltelijk en ontving vanaf november 2001 tot maart 2002 een bevallingsuitkering op grond van de Ziektewet. Het UWV kende haar een WAO-uitkering toe met ingang van 27 mei 2002, maar stelde de ingangsdatum later vast op 17 september 2002, omdat de periode van bevallingsuitkering niet meetelde voor de wachttijd.
Appellante stelde in hoger beroep dat ook de periode vóór de bevallingsuitkering, waarin zij wegens zwangerschapsklachten arbeidsongeschikt was, buiten beschouwing had moeten blijven bij de wachttijdberekening. Zij verwees naar het arrest Mary Brown van het Hof van Justitie EG. De Centrale Raad overwoog echter dat dit arrest betrekking heeft op arbeidsrechtelijke geschillen en niet op sociaal verzekeringsrecht.
De Raad stelde vast dat appellante haar werk na mei 2001 niet volledig had hervat en dat zwangerschapsgerelateerd verzuim gelijkgesteld wordt aan arbeidsongeschiktheid met recht op ziekengeld of loondoorbetaling. Dit betekent dat deze periode meetelt bij de wachttijd voor de WAO. De rechtbank had het beroep van appellante terecht ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. Het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WAO-uitkering wordt bevestigd op 17 september 2002 en het hoger beroep wordt afgewezen.