ECLI:NL:CRVB:2008:BD6809

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4949 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige motivering

Betrokkene viel op 31 oktober 2001 uit voor zijn werk als terreinmedewerker. Op 20 mei 2003 werd een WAO-uitkering geweigerd omdat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar en beroep werd op 5 augustus 2005 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%.

De rechtbank vernietigde dit besluit echter wegens onvoldoende arbeidskundige motivering, met name omtrent de functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). In hoger beroep overwoog de Raad dat de aanvullende rapportages van bezwaararbeidsdeskundigen Dekker en Kleijne voldoende toelichting gaven dat de functie passend was ondanks beperkingen.

De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank, behoudt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten. Hiermee wordt het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering gehandhaafd, ondanks de formele vernietiging wegens motiveringsgebrek.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/4949 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 juli 2006, 05/2206 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 4 juli 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een rapportage van 2 mei 2006 van bezwaararbeidsdeskundige P.G. Dekker overgelegd.
Namens betrokkene heeft mr. E.P.W.A. Bink een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een rapportage van 6 maart 2007 van bezwaararbeidsdeskundige
A.P.M. Kleijne ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene is op 31 oktober 2001 uitgevallen voor zijn werk als terreinmedewerker. Bij besluit van 20 mei 2003 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, onder overweging dat betrokkene, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 30 oktober 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het tegen het besluit van 20 mei 2003 gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 april 2004 ongegrond verklaard.
1.2. Bij uitspraak van 31 januari 2005 heeft de rechtbank het tegen het besluit van
26 april 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
1.3. Appellant heeft in die uitspraak berust en bij besluit van 5 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard en betrokkene met ingang van
30 oktober 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven maar de arbeidskundige grondslag ervan onvoldoende geacht. In dit verband heeft zij overwogen dat met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) niet gemotiveerd is toegelicht waarom de intensiteit van de belasting in die functie op trappenlopen valt binnen de beperking van betrokkene op dit aspect. Om deze reden heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.
3. In hoger beroep heeft appellant een rapportage van 2 mei 2006 overgelegd van de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Dekker waarin is toegelicht waarom betrokkene in staat moet worden geacht de functie productiemedewerker industrie te vervullen. Tevens verwijst appellant naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.v.) inzake het Claim Beoordelings- en BorgingsSysteem (CBBS) en geeft appellant aan dat een aanvullende motivering van de geschiktheid van de geduide functies ook in hoger beroep toelaatbaar is.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad stelt allereerst vast dat gelet op hetgeen appellant in zijn beroepschrift heeft aangevoerd, in hoger beroep slechts aan de orde is of de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit als juist kan worden aanvaard, waarbij het in het bijzonder gaat om de vraag of de medische passendheid van de functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) voldoende is gemotiveerd.
4.2. De Raad stelt vast dat bezwaararbeidsdeskundige P.G. Dekker in hoger beroep de signaleringen (*M*) op 2 mei 2006 heeft toegelicht en dat bezwaararbeidsdeskundige A.P.M. Kleijne in hoger beroep een nadere toelichting heeft gegeven door middel van het rapport van 6 maart 2007.
4.3. In dat laatste rapport heeft Kleijne per functie gemotiveerd toegelicht dat de in de functiebelastingen voorkomende signaleringen (*G*) geen belemmering vormen voor betrokkene om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) te kunnen uitoefenen. De Raad is van oordeel dat met de in het rapport van 6 maart 2007 gegeven toelichting het bestreden besluit alsnog naar behoren is onderbouwd.
4.4. Gelet op het in de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971) gegeven oordeel over het aangepaste CBBS bestaat aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen, met uitzondering evenwel van de veroordeling van appellant tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
4.5. Nu het bestreden besluit eerst in de fase van het hoger beroep van een toereikende onderbouwing is voorzien, bestaat er voorts aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen, zij het onder instandlating van de rechtsgevolgen ervan.
5. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op
€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de daarin opgenomen veroordeling tot vergoeding van proceskosten en van het griffierecht;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en
R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. Lochs.
JL