ECLI:NL:CRVB:2008:BD3348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door eigen bedrijf tijdens werktijd
Appellant diende een aanvraag in voor een WW-uitkering, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Volgens het UWV had appellant tijdens werktijd structureel werkzaamheden verricht voor zijn eigen bedrijf zonder toestemming van de werkgever, wat tot ontslag leidde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant stelde in hoger beroep dat hij na het verlies van managementtaken minder uren werkte en zich oriënteerde op zelfstandigheid. Hij had zijn werkgever in mei 2004 geïnformeerd over zijn voornemen een eigen onderneming te starten, maar kreeg geen schriftelijke reactie. Pas in september 2005 ontstond een conflict over werktijden.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij het vertrouwen van de werkgever schaadde door werkzaamheden voor zijn eigen bedrijf tijdens werktijd te verrichten zonder tijdig en volledig te informeren. De werkgever had echter passief gereageerd, waardoor het verwijt niet in overwegende mate aan appellant kon worden toegerekend. Daarom had het UWV de uitkering slechts gedeeltelijk moeten weigeren door het uitkeringspercentage te verlagen.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV en beval een hernieuwde beslissing. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij de WW-uitkering slechts gedeeltelijk wordt geweigerd.