ECLI:NL:CRVB:2008:BD3136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beëindiging halfwezenuitkering wegens ontbreken van ouderlijke zorg in de zin van de ANW
Appellante vroeg een halfwezenuitkering aan na het overlijden van haar dochter, de moeder van haar kleinkind [S.], die bij haar woont en onder toezicht van Bureau Jeugdzorg is gesteld. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende aanvankelijk een halfwezenuitkering toe, maar beëindigde deze later omdat appellante een pleegzorgvergoeding ontvangt, waardoor een derde in belangrijke mate bijdraagt aan het onderhoud van [S.].
De rechtbank bevestigde het standpunt van de Svb dat de uitkering terecht werd beëindigd, omdat appellante niet als 'zorgdrager als ware hij ouder' kan worden beschouwd volgens artikel 22, tweede lid, ANW. De Raad overweegt dat het begrip 'zorg dragen als ware hij ouder' inhoudt dat de verzorger zowel de feitelijke verzorging als het onderhoud van het kind op zich neemt, zoals een ouder dat doet.
Omdat appellante een pleegzorgvergoeding ontvangt die kostendekkend wordt geacht, en dus een derde substantieel bijdraagt aan het onderhoud, voldoet zij niet aan het onderhoudsvereiste. De Raad bevestigt daarom het besluit tot beëindiging van de halfwezenuitkering en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De halfwezenuitkering aan appellante is terecht beëindigd omdat zij niet als nabestaande kan worden aangemerkt wegens het ontvangen van een pleegzorgvergoeding.