ECLI:NL:CRVB:2008:BD2903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 december 2002 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot haar uitkering per 28 februari 2005 te beëindigen omdat zij vanaf februari 2005 een gezamenlijke huishouding zou voeren met [d. V.]. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad toetste of appellante en [d. V.] voldeden aan de objectieve criteria voor gezamenlijke huishouding zoals opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Anw. Dit betekent dat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning moeten hebben en blijk geven van wederzijdse zorg, bijvoorbeeld door financiële verstrengeling die verder gaat dan het delen van woonlasten. De Raad bevestigde dat beide criteria in februari 2005 waren vervuld, mede gelet op verklaringen van appellante en [d. V.], getuigenverklaringen en het verdubbelde energieverbruik in de woning.
Appellante voerde aan dat haar verklaring onder druk was afgelegd en dat [d. V.] slechts kostganger was, maar deze bezwaren werden door de Raad verworpen. Op grond van artikel 16 van Pro de Anw eindigde het recht op de nabestaandenuitkering daarom per 1 maart 2005 en was de Svb verplicht de uitkering in te trekken. Er was geen dringende reden om van intrekking af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 maart 2005 wordt bevestigd.