ECLI:NL:CRVB:2008:BD2784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet-gelijkstelling met Nederlander
Appellante, houdster van de Surinaamse nationaliteit, vroeg op 21 september 2005 bij het CWI een bijstandsuitkering aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag op 3 februari 2006 af omdat appellante een vreemdeling was die niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander. Het bezwaar tegen dit besluit werd eveneens ongegrond verklaard, waarna de rechtbank Rotterdam het beroep van appellante tegen deze beslissing verwierp.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel gelijkgesteld moest worden met een Nederlander. De Raad stelde vast dat appellante van 21 december 2000 tot 21 december 2001 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bezat, maar dat haar aanvraag tot verlenging hiervan op 17 augustus 2004 was afgewezen en dat zij tegen dit besluit geen rechtsmiddelen had aangewend. Hierdoor was haar verblijfsrecht niet langer rechtmatig.
De Raad oordeelde dat appellante ten tijde van de aanvraag niet kon worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 11 van Pro de WWB en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen. De verzoeken van juni 2002 om wijziging van de verblijfsvergunning werden als nieuwe aanvragen beschouwd en hadden geen betrekking op het eerdere rechtmatig verblijf. De Raad zag geen reden om af te wijken van de eerdere uitspraken en bevestigde de afwijzing van de bijstandsaanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor bijstand wordt afgewezen omdat zij niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.