ECLI:NL:CRVB:2008:BD1879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf 1997, die met ingang van 1 juli 2004 werd beëindigd. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage stelde na een huisbezoek en onderzoek vast dat appellante van 16 augustus 2003 tot en met 30 juni 2004 een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene, zonder dit te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het intrekkingsbesluit van de bijstand ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij pas later bij betrokkene ging wonen en dat zij destijds onder invloed van antidepressiva verkeerde, maar de Raad vond deze argumenten onvoldoende om af te wijken van de verklaring van 23 juni 2004 en de bevindingen van het huisbezoek.
De Raad oordeelde dat appellante niet zelfstandig bijstand ontving, omdat zij samenwoonde met betrokkene die haar woonruimte kosteloos ter beschikking stelde. Het College was op grond van de WWB bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. De Raad vond geen reden om af te wijken van het terugvorderingsbeleid en wees het hoger beroep af, waarmee de intrekking en terugvordering bevestigd werden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.