ECLI:NL:CRVB:2008:BD1451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overneming immateriële schadevergoeding onder Werkloosheidswet
Betrokkene was sinds 1991 in dienst bij een werkgever en werd in januari 2004 op non-actief gesteld. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst kende de kantonrechter een immateriële schadevergoeding toe van € 15.000 netto wegens aantasting van eer en goede naam. De werkgever ging failliet en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) nam enkele verplichtingen van de werkgever over, maar weigerde de immateriële schadevergoeding over te nemen.
De rechtbank oordeelde dat de schadevergoeding wel onder het loonbegrip van artikel 67 WW Pro valt en toerekenbaar is aan de periode genoemd in artikel 64 WW Pro, waardoor UWV de vergoeding moest overnemen. In hoger beroep stelde UWV dat de vergoeding betrekking had op een periode na het dienstverband en niet onder Hoofdstuk IV van de WW viel.
De Raad stelde vast dat de vergoeding betrekking heeft op de periode van non-actiefstelling tot het einde van het dienstverband en dat deze schadevergoeding toerekenbaar is aan de WW-periode. De Raad verwierp het standpunt dat de vergoeding gelijkgesteld moet worden met een ontbindingsvergoeding en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Raad veroordeelde UWV tot betaling van proceskosten en bepaalde dat griffierecht geheven wordt. Hiermee werd het hoger beroep van UWV ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de immateriële schadevergoeding toerekenbaar is aan de WW-periode en onder Hoofdstuk IV van de WW valt.